Antwoorden kansen

Opgave 1
a) P(eerste prijs in C) = 0,33
b) P(C,B,B) = 33/100 x 28/99 x 27/98 = 9/350
c) er zijn 11 personen in groep C. elke persoon heeft 3 loten. Dus de kans dat persoon uit C alles wint is dan: 3/100 x 2/99 x 1/98 x 11 = 1/14700

Opgave 2
a) P(A wint in 2 worpen) = 1/3 x 1/3 = 1/9
b) P(B wint in drie worpen) :
1|2, 3|4, 3|4 of 3|4, 1|2, 1|2 = 1/3 x 1/3 x 1/3 x 2 = 2/27
5|6, 3|4, 3|4 of 3|4, 5|6, 3|4 = 1/3 x 1/3 x 1/3 x 2 = 2/27
Dus P(B wint in drie worpen) = 2/27 + 2/27 = 4/27
c) P(C wint in vier worpen):
De kans om een punt te winnen is voor iedereen 1/3. De laatse worp moet voor C zijn. De andere mogen maar n keer een worp winnen. De mogelijke uitkomsten zijn dan:
A(wint)B(wint)C(wint)C(wint)
BACC
ACBC
BCAC
CABC
CBAC
=
6 x (1/3)4 = 2/27

Opgave 3
a) P(2143) = 2/10 x 1/9 x 4/8 x 3/7 = 1/210
b) P(2233 = 2/10 x 1/9 x 3/8 x 2/7 = 1/420 c) P(geen 2 en geen 3): 1444 op vier manieren: = 4 x 1/10 x 4/9 x 3/8 x 2/7 = 2/105
4444 = 4/10 x 3/9 x 2/8 x 1/7 = 24/5040
Dus P(geen 2 en geen 3) = 2/105 + 24/5040 = 1/42

wiskunde in je pocketNoordhoff wiskunde in je pocket
Alle basiskennis van het vak overzichtelijk bij de hand in één compact minigidsje.
  • ideaal opzoekboekje voor schoolverlaters
  • handig geheugensteuntje voor scholieren
  • naslaghulp voor eindexamenkandidaten
Klik om te bestellen.